Humanistische psychologie

(voortgekomen uit Humanisme – Socrates filosoof)

De humanistische psychologie of Third Force Psychology was een reactie op het behaviorisme en de psychoanalyse. De beweging is opgericht door Carl R. Rogers en Abraham H. Maslow.

Abraham Maslow was van origine behaviorist. Toen hij voor de wieg van zijn eerstgeborene stond, kon hij niet geloven dat zijn kind niet méér was dan de dieren waarmee hij in zijn laboratorium experimenteerde. Van dan af zoekt hij naar een nieuwe benadering, en in 1954 doet hij een oproep aan zijn collega-psychologen om zich te verenigen en samen een nieuwe psychologie te ontwikkelen. Maslow verwerpt het streven naar wetmatigheden en gaat daarentegen uit van theorieën gebaseerd op het bewustzijn en de vrije wil van de mens. Mensen zijn in staat eigen keuzen te maken. Hierdoor wordt gefocust op de gehele, unieke mens, in plaats van bepaalde onderdelen daarvan. De psychologie moet mensen helpen zichzelf te ontplooien.
De humanistische psychologie heeft een positieve blik op de menselijke aard. Er wordt uitgegaan van het idee dat mensen een aangeboren drang hebben tot zelfactualisering; de mens kan verder kijken dan zijn dierlijke instincten en kan zich engageren in creatieve activiteiten die zowel zijn welzijn als die van de maatschappij verbeteren .

Geschiedenis

Eerst kende de humanistische psychologie veel succes. Wat gedeeltelijk te maken heeft met haar belofte op een zinvoller leven waarin de mens zich kan verwezenlijken. De humanistische therapie is gebaseerd op het positiveren van negatieve denkbeelden van mensen. Hierdoor heeft de humanistische psychologie enorm bijgedragen aan de psychotherapie en de concepten over het zelf en anderen in de Westerse cultuur.
“Een nieuwe versie aangaande de mogelijkheden en de bestemming van de mens is bezig baan te breken; dat heeft veel consequenties, niet alleen voor onze opvoedingsideeën, maar ook voor de wetenschap, de politiek, de literatuur, de economie, de religie en zelfs voor onze ideeën over de niet-menselijke wereld.” Abraham H. Maslow, 1974.”
Onderzoekspsychologen beschouwen deze stroming echter onwetenschappelijk, door het gebrek aan concreetheid van de begrippen. Abraham H. Maslow heeft het bijvoorbeeld over zelfactualisatie en vrijheid, termen die nauwelijks bruikbaar zijn voor wetenschappelijk onderzoek vanwege hun onmeetbare hoedanigheid.

belangrijke vertegenwoordigers van de Humanistische psychologie

  • Abraham H. Maslow
  • Carl R. Rogers
  • Viktor Frankl
  • Rollo May
  • Thomas Gordon

Zelfactualisatie, betekenis, creativiteit

Humanistische psychologie

Het goede leven is een proces, niet een staat van zijn.
Het is een richting, niet een doel. (Rogers, 1961)

Halverwege de 20e eeuw ontstond een stroming in de psychologie die als humanistische psychologie bekend werd. Ze wordt ook wel de psychologie van de derde weg genoemd. Deze aanduiding maakt haar aspiraties duidelijk: een alternatief bieden voor de twee dan dominerende stromingen in de psychologie, de dieptepsychologie (in het bijzonder de psychoanalyse) en het behaviorisme. In dit humanistische alternatief wordt de mens gezien in zijn volledigheid; als creatief, groeiend, betekenisgevend, waarderend wezen. Het serieus nemen van de volledige mens, sluit aan bij de humanistische levensbeschouwing.

Serieus nemen van heel de mens

Volgens de humanistische psychologie, gaan het behaviorisme en de psychoanalyse uit van een te beperkt mensbeeld. Net als de existentialisten, meenden humanistisch psychologen dat een aantal fundamentele kenmerken van het menselijk leven in de resp. de filosofie en de psychologie, te veel achterwege blijven. De mens is op zijn minst óók een betekenisgevend, zinzoekend, liefhebbend, waarderend, ervarend en creatief wezen, en kan vrij en verantwoordelijk in het leven staan.


‘Een musicus moet muziek maken, een schilder moet schilderen, een dichter moet schrijven wil hij uiteindelijk in vrede met zichzelf leven. Deze behoefte kunnen we zelf-actualisering noemen. (Maslow, 1954)

In de psychoanalyse wordt het onbewuste als de bepalende factor in het doen en laten van de mens gezien. Men gaat uit van een conflict tussen de mens als biologisch (m.n. seksueel) wezen met instincten en driften, en de mens als sociaal wezen met een geweten. Het behaviorisme stelt, dat de psychologie als wetenschap zich moet richten op de bestudering van zichtbaar gedrag. Gedrag wordt geleerd en is via leren veranderbaar. Zo leren we taal, vaardigheden, houdingen, persoonlijkheids-trekken, gevoelens als angst en een zelfbeeld. We leren onder invloed van beloning (gedrag wordt dan bevestigd), en straf (gedrag wordt ontmoedigd). Hoe en wat we leren, wordt dus bepaald door de relatie tussen mens en omgeving.
De humanistische psychologie wordt zo genoemd omdat ze beoogt de mens centraal te stellen, heel de mens.

Anders dan de psychoanalyse en het behaviorisme gaat deze humanistische psychologie ervan uit dat:

  1. onze biologie en omgeving niet de enige bepalende factoren voor onze persoonlijkheid zijn: creatieve vermogens zijn dat eveneens;
  2. een mens-vormig model beter is dan een mechanistisch model voor de verklaring van ons gedrag;
  3. doel en betekenis belangrijker zijn dan oorzakelijkheid (causaliteit) in ons functioneren;
  4. een holistisch (omvattend) model van de mens beter is dan een reductionistisch model;
  5. naast het onbewuste en het gedrag volledig rekening moet worden gehouden met de menselijke subjectiviteit, dat wil zeggen, met de gezichtspunten en belevingen van het individu;
  6. de kwaliteit van de menselijke relatie doorslaggevend is in psychotherapie.
‘The humanistic shift can be thought of something like this:…from determinism to self-determination, from causality to purpose, from manipulation to self-responsibility, from analysis to synthesis, from diagnosis to dialogue, from solution-oriented models to process, from degradation of human life to celebration of the human spirit. The goal of this third force in psychology was not scientific prediction and control, but empathy, understanding and liberation.’ (uit speech Sandy Freidman, 1994)

Vooraanstaande vertegenwoordigers
De ongetwijfeld belangrijkste figuren van deze stroming zijn Abraham Maslow en Carl Rogers. De bijdrage van Maslow bestaat overwegend uit het formuleren van een persoonlijkheidstheorie, terwijl het accent bij Rogers meer ligt op de psychotherapie. Naast Rogers en Maslow, valt te denken aan Rollo May en Viktor Frankl.

Maslow
Het meest bekend van Maslow is zijn theorie van de behoeftehiërarchie, meestal weergegeven als een piramide. De gedachte is als volgt. Mensen worden gemotiveerd tot handelen vanuit behoeften die ze hebben. Basaal zijn de lichamelijke behoeften (eten, drinken, slaap, seks, bescherming tegen extreme omstandigheden). De vervulling ervan is noodzakelijk voor lichamelijke overleving. Vervolgens hebben we de behoefte aan veiligheid, aan liefde en ergens bij horen, en de behoefte aan waardering vanuit de omgeving. Deze behoeften ervaren we als er een tekort ontstaat, het zijn dus ‘tekortbehoeften’. Maslow stelt dat psychoanalyse en behaviorisme zich ten onrechte tot deze behoeften beperken. We hebben immers ook de behoefte aan zelfactualisering, een groeibehoefte. Dat laatste impliceert, dat de mens een inherente tendens tot groei en ontwikkeling heeft. Zelfactualisering wordt onder meer gekenmerkt door een gerichtheid op zogeheten zijnswaarden, zoals schoonheid, eenvoud, uniciteit, waarheid, speelsheid, enz.

Rogers

De bijdrage van Carl  Rogers ligt voornamelijk op het vlak van de hulpverlening. Zijn opvattingen over ‘person-centered therapy’ (voorheen: ‘client-centered therapy’) hebben op het vlak van counseling (een breder begrip dan psychotherapie) en onderwijs grote invloed gehad.
Rogers gaat uit van de aanwezigheid in ieder levend organisme van een actualiseringtendens: een tendens om het volledige potentieel van het individu te verwerkelijken. Hij formuleerde 19 uitgangspunten over de persoonlijkheid en menselijk gedrag als onderbouwing van zijn therapeutische benadering. Een van de belangrijkste voor de hulpverlening is, dat gedrag het beste begrepen kan worden vanuit het interne referentiekader van het individu zelf. Naast deze opvattingen ontwikkelde Rogers een theorie van de psychotherapie. In aansluiting op het genoemde uitgangspunt formuleert hij drie centrale aspecten van de houding van de hulpverlener. Dit zijn
  1. empathie, inleven in de ander alsof je die ander bent;
  2. onvoorwaardelijke positieve acceptatie, een niet beoordelende, ontvankelijke attitude ten opzichte van wie de cliënt op dat moment is;
  3. congruentie, openheid van de therapeut naar zijn eigen ervaringen van de therapeutische relatie op dat moment.
Van deze drie beschouwde Rogers de laatste als de meest basale.
Het mensbeeld van de humanistische psychologie komt overeen met dat van het levensbeschouwelijk humanisme. De doorwerking van de humanistische psychologie is voornamelijk zichtbaar in de geestelijke verzorging en het humanistische vormingsonderwijs. Beide activiteiten stellen de betekenisgeving van de cliënt/leerling centraal en de begeleidingsrelatie wordt in sterke mate gekenmerkt door nondirectiviteit (een niet-sturende relatie).

Humanistische psychologie en leren.

Een kind leert, omdat hij of zij een goed gevoel krijgt over de prestatie. Humanisme is intrenseke beloning, jezelf belonen. Humanistisch vormingsonderwijs begeleid jonge mensen bij het ontwikkelen van een eigen waardebesef en een persoonlijk levensbeschouwelijk kompas. Op een kritische en creatieve manier leren ze omgaan met vragen over normen, waarden en levensbeschouwing. Leerlingen onderzoeken gezamenlijk hun ervaringen en ideeën en leren keuzes te maken en te verantwoorden. Ze worden aangemoedigd te communiceren over wat ze denken, voelen, willen en doen. Hierdoor kan iedere leerling ervaren wat waardevol is aan het bestaan.

De motivatietheorie van Abraham Maslow

Maslow is een van de bekendste vertegenwoordigers van de humanistische psychologie, ‘the third way’ naast dieptepsychologie en behaviorisme. Volgens de humanistische psychologie doen zowel de dieptepsychologie als het behaviorisme de mens tekort. Je moet de mens niet benaderen als een door driften bepaald wezen (dieptepsychologie): dit reduceert de mensen tot een dier. Je moet de mens ook niet benaderen als een wezen dat alleen door beloning en straf te beïnvloeden is: dat reduceert de mens tot een machine. De humanistische psychologie wil de mens benaderen vanuit zijn mogelijkheden. De mens heeft een oneindig potentieel aan mogelijkheden in zich, en door je daarop te richten kun je oneindig meer uit jezelf halen dan wanneer je je richt op de strijd tussen je driften en je geweten, of op conditionering door beloning en straf. De humanistische psychologie erkent wel de werking van die principes, maar stelt dat het te beperkt is om daar alleen naar te kijken.

Zelfverwerkelijking is volgens de psychologen van de humanistische psychologie de kern van het mens zijn. De natuur van ieder mens is er op uit de mogelijkheden en talenten tot ontplooiing te brengen. Dat geldt zowel op sociaal gebied (vriendschap met vrienden en vriendinnen) als op maatschappelijk gebied (schoolopleiding, baan, enz.). Er zijn echter veel belemmeringen die ons er van afhouden werkelijk uit onszelf te halen wat er in zit. Als we die belemmeringen weg zouden kunnen nemen, dan zouden er oneindig veel meer mogelijkheden kunnen worden gerealiseerd dan we nu doen. We benutten nu veelal slechts een fractie van onze potentiële mogelijkheden. Welke belemmeringen zijn dat dan? Om dit te doorgronden is het belangrijk te weten door welke drijfveren een mens zoal wordt aangedreven in zijn leven.

Abraham Maslow onderscheidt de volgende vijf behoefteniveaus in menselijk gedrag:
a. Het niveau van de primaire biologische behoeften. Mensen hebben allereerst behoefte aan eten, drinken, zuurstof, kleding, onderdak, enz. Dit fysiologische niveau is primair, dat wil zeggen het zijn de overlevingsbehoeften. Als hieraan niet in voldoende mate wordt voldaan wordt de ontwikkeling van de hogere niveaus belemmerd. Een kind in een ontwikkelingsland dat honger heeft zal zijn aandacht niet lang gericht kunnen houden op leren op school, de behoefte aan voedsel is dominant, vraagt voortdurend aandacht. Iemand die zuurstoftekort heeft zal eerst aan de behoefte aan zuurstof willen en moeten voldoen om te overleven.

b. Het niveau van de veiligheidsbehoeften (de behoefte aan bestaanszekerheid).  Als aan de fysiologische behoeften is voldaan is fundamenteel dat aan de behoefte aan veiligheid wordt voldaan. Een baby heeft niet alleen melk nodig, maar ook koestering, warmte, liefde, een vast ritme, regelmaat, orde, stabiliteit, rust. Door onverwachte, onvoorspelbare gebeurtenissen, of door inconsequent gedrag raken kinderen in de war, worden ze angstig. Als aan de fysiologische en veiligheidsbehoeften is voldaan ontstaat vertrouwen. Het basisvertrouwen ontstaat in het contact met de verzorger/ster die als voedende en verzorgende persoon de eerste is die veiligheid representeert. Meestal is dat de moeder. Vervolgens breidt dat vertrouwen zich uit, en ontstaat er bij een gezonde ontwikkeling ook vertrouwen in zichzelf.

De Amerikanen spreken hierbij van ‘basic trust’, basisvertrouwen. D.w.z.: hier wordt de basis gelegd van een fundamenteel vertrouwen in jezelf, de mensen om je heen, de mensheid, de wereld. Als er hier iets mis gaat is er in dat fundament een hiaat, dat gevolgen heeft voor het verdere leven. Het is van belang hier eerst aan te werken. Als er een tekort blijft in het basisvertrouwen zal dit gedurende ons hele leven belemmerend werken: angsten kunnen het gevolg zijn, je voelt je dan niet veilig op deze aarde. Let wel: dit betreft dus niet zozeer het je niet veilig voelen in een bepaalde situatie, maar meer een allesomvattend (on)veiligheidsgevoel.

c. De sociale behoeften: behoefte aan liefde, en de behoefte ergens bij te horen. Onder liefde kan daarbij worden verstaan: ‘erg goed begrepen en geheel aanvaard worden’. ‘Liefde impliceert een gezonde, tedere betrekking tussen mensen die wederkerig vertrouwen inhoudt. In de juiste relatie is er geen vrees, verdedigingsmiddelen zijn weggevallen.’ Liefde wordt vaak aangetast als je bang bent dat je zwakheden en gebreken ontdekt zullen worden, en er misbruik van zal worden gemaakt. Het kind en de mens in het algemeen heeft behoefte aan een band met de mensen om hem heen. Met name ontstaat de behoefte aan een plaats in de groep leeftijdgenoten. Clubs bieden bijvoorbeeld een min of meer veilige ‘oefenplaats’ voor het ontwikkelen van sociaal gedrag in een gemeenschap. Met de behoefte aan liefde wordt zowel de behoefte aan het ontvangen van liefde als de behoefte aan het geven van liefde bedoeld. Het is ook belangrijk om te ‘leren’ een bijdrage te leveren aan een gemeenschap; bijvoorbeeld in eerste instantie aan het gezin, en vervolgens aan groepen leeftijdgenoten. Dat geeft ook weer een goed gevoel terug.
d. De behoefte aan erkenning en waardering. We hebben twee soorten behoeften op dit niveau:
- de behoefte aan zelfwaardering; d.w.z.: verlangen naar zelfvertrouwen vanwege waardering voor jezelf, je succes, zelfwaardering voor wie je bent; dit houdt ook in: verlangen naar vrijheid, onafhankelijkheid, verlangen een eigen individu te zijn, en zelfwaardering voor wat je in dit opzicht al hebt bereikt;
- de behoefte aan waardering door anderen; d.w.z.: respect, aanvaarding, erkenning als persoon, erkenning op grond van kwaliteiten, verwerven van een bepaalde status, een ‘eigen plaats’ in de groep op grond van je ‘jou-zijn’, op grond van wie je bent.
Waardering voor jezelf (zelfrespect, zelfvertrouwen) is de basis voor het kunnen geven van waardering aan anderen.

e. De behoefte aan zelfverwezenlijking. Dat is: het verlangen om meer en meer te worden wie je in aanleg al bent. Onze potentiële mogelijkheden zijn groot. Als aan de vorige niveaus is voldaan zullen we pas echt toekomen aan de volledige ontplooiing van ons zelf. Er zijn dan geen angsten meer die ons belemmeren. We voelen ons niet meer beknot door onze strijd om een plaats in de groep. We voelen ons vrij van angst, en vrij van de waardering of beoordeling van anderen. Op basis van het bereikte zelfvertrouwen komen we, als vrij mens, toe om te realiseren wat in ons is, zonder belemmeringen van binnen (in onszelf) of van buitenaf. Het is het niveau van de vrije zelfontplooiing.
Volgens Maslow komt maar een klein percentage van de mensheid toe aan volledige zelfontplooiing. Dat komt omdat mensen in vorige fasen blijven steken, omdat ze nog veel energie nodig hebben voor zelfhandhaving, voor hun zelfvertrouwen, voor hun struggle for life. Zolang je je energie nodig hebt voor de strijd om het bestaan heb je je energie niet vrij beschikbaar om te besteden aan je beschikbare potentieel, aan je menselijke mogelijkheden.

Maslow deed onderzoek naar mensen die hij ‘zelfvervullers’ noemde, die dus volgens hem dat vijfde stadium hadden bereikt. Het waren presidenten van Amerika, beroemde atleten en wereldleiders. Een kenmerk van die zelfvervullers was dat zij bij hun daden en keuzen het gevoel hadden dat zij vaak de juiste actie op het juiste moment uitvoerden. Zij hadden vaak het gevoel van “zo is het goed”, “de dingen vallen op hun plek”. Verder hadden zij vaak momenten die Maslow typeerde als ‘topervaringen’; d.w.z.: momenten dat ze zich goed voelden, momenten van geluk, van vreugde, blijdschap; momenten van zich verheven voelen boven de pijn van het leven. Topervaringen overkomen je: je kunt er niet naar streven, dan bereik je ze juist niet. Het is iets van: jezelf mogen zijn, zijn wie je bent; van jezelf houden zoals je bent, zonder jezelf als volmaakt te zien. Dergelijke topervaringen zijn pieken, ze doen zich af en toe voor, bij de een meer, bij de ander minder.

De 5 genoemde behoeften-niveaus zijn essentieel voor de opvoeding van kinderen.

1e niveau: belang van een regelmatige voeding en verzorging; op tijd een schone luier;
2e niveau: basisvertrouwen ontstaat door koestering, veiligheid, exploratie (zelf ervaren van grenzen); belang van rust, reinheid en regelmaat (de 3 r’s!) in de voeding en verzorging;
3e niveau: belang van onvoorwaardelijke liefde, d.w.z.: aanvaarding van het totale kind zoals het is; tevens is een plaats in de groep leeftijdgenoten belangrijk;
4e niveau: belang van succeservaringen: op school (leerresultaten), thuis (zelfstandigheid);
5e niveau: zelfontplooiing; de vorige 4 niveaus leggen de basis voor dit vijfde niveau, dat pas in de volwassenheid gerealiseerd wordt.

Toegepast in de psychotherapie betekent dit dat vooral niveau 2 belangrijk is; veel mensen zitten vast op het niveau van de veiligheidsbehoeften, waardoor ze last hebben van angst. De therapeut werkt aan het verstevigen aan het basisvertrouwen, de basic trust. Allereerst door zelfacceptatie; het leren van zelfbevestiging is daarbij fundamenteel. D.w.z.: leren houden van jezelf zoals je bent; niet anders willen zijn dan je bent. Je sterke en minder sterke kanten niet ontkennen, maar herkennen en erkennen. Van jezelf mogen zijn wie je bent, zonder dat er steeds een afkeurende stem is die je naar beneden praat. Hoe kun je zo’n positieve houding ten opzichte van jezelf bereiken? Door te durven kijken naar jezelf zoals je bent; door je goede kanten te zien, en daar waardering voor te mogen hebben van jezelf. Door niet boos te zijn of verdrietig vanwege kanten die je in jezelf niet zo makkelijk accepteert. Zie wat er is, zonder oordeel, zonder schuld: het leven heeft je dit gebracht, accepteer wie je nu bent, op dit moment, en bouw voort op het fundament dat er al is. Kijk ook naar het fundament dat er al is. Er is vaak meer dan je denkt. Onderken dat je vaak meer kijkt naar de dingen die er nog niet zijn, of die je anders zou willen hebben. Wees je daar bewust van. En richt je dan op die positieve kanten.

Het sleutelwoord van de humanistische psychotherapie is: zelfacceptatie

Bron: A. Maslow, Motivatie en persoonlijkheid. Een boek waarin bepaalde opvattingen van de humanistische psychologie voor het onderwijs zijn uitgewerkt is: “Leren in vrijheid”, van Carl Rogers.
Aantekeningen: Subjectieve mens, subjectiviteit – persoonlijk, causaal, Maslov, Gordon Methode, Wij cultuur, Constructivisme zelfontw. Identiteitsontwikkeling,Sociale omgeving
Rolgedrag.

Er zijn verschillende redenen om Rogers te kiezen als vertegenwoordiger van de humanistische denkwijze in de klinische psychologie. In de eerste plaats ontwikkelde hij niet alleen een theorie, maar vooral ook een therapeutische methode. Rogers werkte deze methode concreet uit en noemde haar de cliëntgerichte therapie (cliënt-centered therapie). Daarmee bracht hij tot uitdrukking dat in de therapie de cliënt als uniek individu met zijn denken en voelen, centraal dient te staan. Verder duidde hij ermee aan dat het niet de taak van de therapeut is om vast te stellen wat de cliënt mankeert en wat daaraan moet worden gedaan, maar dat de cliënt zelf, vanuit zijn vermogen tot positieve ontwikkeling en ontplooiing, moet aangeven hoe en waar verbeteringen kunnen plaatsvinden. De therapeut creëert alleen de voorwaarden voor de verdere ontplooiing van de cliënt.

Rogers sprak ook niet van patiënten maar van cliënten, om het volwaardige en niet zieke van mensen die met een probleem worstelen, aan te geven. Zijn opvattingen hebben geleid tot een heel andere benadering van mensen met problemen dan gangbaar was in de psychoanalytische en behavioristische behandelingen. Een tweede reden om Rogers te keizen als representant van de humanistische benadering is dat hij zich veel moeite heeft getroost om de hoofdpunten van zijn theorie en therapie praktisch uit te werken, te beschrijven en toepasbaar te maken op allerlei menselijke relaties. Zo heeft hij niet alleen veel invloed uitgeoefend op de opvattingen over de behandeling van mensen met psychische problemen, maar ook op het denken over opvoeding en onderwijs. In een van zijn publicaties merkt Rogers het volgende op: “No theory can be adequately understood without some knowledge of the cultural and personal soil from which it springs”. Zeker voor Rogers geldt dat zijn theorie zo persoonlijk is gekleurd en zo sterk voortkomt uit zijn eigen achtergrond en ervaring als therapeut, dat enige kennis van zijn persoonlijke leven nodig is om zijn opvattingen goed te kunnen begrijpen.

Rogers leven
Carl Rogers groeide op in de VS, in een hecht gezin waarin hard werken een belangrijke deugd was en veel waarde werd gehecht aan orthodox protestantse geloofsopvattingen. Toen hij twaalf jaar was, verhuisde het gezin naar een boerderij. Carl raakte geïnteresseerd in de landbouwkunde. Hij ging dat vak vervolgens ook studeren en ontwikkelde veel respect voor de natuurwetenschappelijke onderzoeksmethoden als middel om problemen op te lossen en kennis te vergaren. In die tijd groeide ook zijn belangstelling voor het menselijke denken. Na zijn afstuderen in de landbouwkunde besloot hij psychologie te gaan studeren. Vooral een van zijn docenten, Leta Hollingworth, had met haar warme menselijke instelling en haar aanpak met haar gezonde verstand bij het therapeutische werk veel invloed op Rogers. Voor hem waren haar instelling en werkwijze nieuwe ervaringen na de huiselijke strengheid en de studie landbouwkunde met zijn afstandelijke, wetenschappelijke benadering van vraagstukken. Na de voltooiing van zijn studie psychologie werkte Rogers meer dan tien jaar in een instituut voor hulpverlening aan kinderen, waar hij veel leerde over therapeutische behandeling vanuit freudiaans gezichtspunt. Hij kreeg veel vrijheid voor zijn eigen ideeën en ontwikkelde in deze periode een eigen manier om mensen met problemen te behandelen.Toen Rogers in 1940 hoogleraar werd en vaak in contact kwam met studenten, realiseerde hij zich pas goed hoezeer zijn methode van werken geheel eigen kenmerken had. Hij merkte dat zijn werkwijze heel moeilijk was uit te leggen aan de kritische en nieuwsgierige studenten die hij opleidde. Dit stimuleerde hem om zijn theorie en methode scherper en vollediger uit te werken en te formuleren. Toen ook werd hem en de buitenwereld duidelijk dat zijn cliëntgerichte therapie een grote verandering inhield voor het werken met cliënten. Ook toen hij hoogleraar was en veel doceerde en publiceerde, bleef Rogers in contact met de therapeutische praktijk. Uit deze korte levensbeschrijving blijkt dat de Rogeriaanse benadering zeker geen studeerkamertheorie is: Rogers ontwikkelde zijn theorie over het functioneren van de persoon op basis van zijn ervaringen in de therapeutische praktijk. Ook is hieruit op te maken hoe Rogers ertoe kwam om als jong psycholoog – tegen de gevestigde traditie in – een positieve, humanistische mensbenadering als uitgangspunt te nemen in zijn theorie. Gezien zijn voorgeschiedenis mag het opmerkelijk heten dat hij een optimistische visie op mensen en hun mogelijkheden ontwikkelde. Hij was immers opgegroeid in een streng christelijke omgeving, die het idee voedde dat de mens in aanleg zondig is en kwade krachten in zich heeft. Bovendien maakte hij later kennis met de psychoanalyse. Deze theorie bevestigt het negatieve beeld van de mens als geleid door primitieve, onbewuste driften die om correctie vragen. Het zijn de genoemde positieve ervaringen met Leta Hollingworth en zijn onbevooroordeelde aandacht en respect voor mensen en wat er in hen omgaat tijdens de therapiesesies, die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van zijn optimistische benadering van de mens. Het is de verdienste van Rogers dat hij na de confrontaties met het negatieve mensbeeld uit de gangbare theorieën van zijn tijd, onafhankelijk daarvan een positief mensbeeld heeft uitgewerkt in een eigen theorie.

De theorie van Rogers
De ontwikkeling van de individuele persoon In de opvatting van Rogers over de ontwikkeling van de individuele mens staan vier uitgangspunten centraal.

1. Dat de mens van nature de neiging heeft zijn in aanleg aanwezige individuele mogelijkheden te verwezenlijken. Deze neiging tot zelfverwerkelijking is de drijvende kracht achter en de motor in de ontwikkeling en ontplooiing van de mens. Het is een aangeboren neiging, die is verankerd in fysiologische processen en gericht op groei in biologische en psychologische zin. We moeten dit zien als het steeds verder groeien naar een individuele vorm. De uiteindelijke vorm ligt niet vast; zelfverwerkelijking is een voortgaand proces in de richting van verfijning, differentiatie en uitbreiding, dat plaats vindt onder invloed van innerlijke mogelijkheden en externe omstandigheden. In dit proces speelt de individuele beleving van wat er in en om de persoon gebeurt, een grote rol. Het gaat hier om gedachten en gevoelens over zichzelf, over anderen en over de wereld. Dat kunnen zowel mooie als slechte gedachten en gevoelens zijn. In de theorie van Rogers heeft namelijk ook het beleven van zeer negatieve emoties en gedachten een positieve betekenis voor de ontplooiing van de persoon. Dit betekent overigens niet dat deze ook ongeremd in gedrag moeten worden geuit.

2. Bij het ervaren gaat het om de werkelijkheid zoals de persóón deze subjectief beleeft. De realiteit van een persoon is de subjectieve realiteit, de persoonlijke waarneming van de wereld inclusief zichzelf. Dit subjectief waarnemen wordt wel percipiëren genoemd. Als een kind op de arm wordt genomen door een onbekende, vriendelijke oom en het begint te huilen, dan is de objectieve werkelijkheid vriendelijk, maar voor het kind is het onbekende van die oom een aspect van de werkelijkheid dat subjectief als beangstigend wordt ervaren. Het centraal stellen van de subjectieve ervaring impliceert dat de persoon alleen zelf kan bepalen en uiten hoe zijn werkelijkheid, zijn persoonlijke referentiekader, eruit ziet.

3. Een combinatie van de eerste twee uitgangspunten is: het gedrag van het individu is de doelgerichte poging van dat individu om de ervaren behoeften aan zelfverwerkelijking te realiseren in een werkelijkheid zoals hij die percipieert. De persoon ontwikkelt zich in een wisselwerking met de werkelijkheid. In deze ontwikkeling laat hij zich leiden door een persoonlijke waardering waarmee hij zijn ervaringen toetst aan zijn eigen, unieke behoeften aan zelfverwerkelijking. Positief gewaardeerd worden de ervaringen die volgens zijn perceptie passen in de verwerkelijking van de mogelijkheden die in aanleg in hem aanwezig zijn. Ervaringen die er niet in passen, krijgen een negatieve waardering. Dit proces is een niet bewust beredeneerde serie besluiten en ervaringen, maar eerder een spontaan aanvoelen van ervaringen als positief en negatief. Het individu zal positief gewaardeerde ervaringen opzoeken en de negatieve proberen te vermijden. In overeenstemming met de algemene kenmerken van het humanistische gedachtengoed (zie woordenlijst) hecht Rogers veel waarde aan de wijze waarop het individu zichzelf als een georganiseerd, uniek en afzonderlijk geheel ervaart. Rogers duidt dit aan met het Ik of ook wel het zelf.

4. Het individu zal als gevolge van de zelfverwerkelijking een samenhangend zelfbeeld ontwikkelen, dat in zijn beleving apart staat van de rest van de wereld: Ik ben me ervan bewust dat ik ik ben. De persoon beleeft zichzelf als meer of minder gelijk aan anderen in allerlei opzichten, maar in ieder geval als een zelfstandig individu dat zich ook onderscheidt van anderen. Samengevat: ieder mens is geneigd zijn in aanleg aanwezige mogelijkheden te realiseren, leeft in een subjectieve realiteit en laat zich in zijn ontwikkeling leiden door een persoonlijke waardering. Het is van belang dat hij daarbij een samenhangend zelfbeeld ontwikkelt.

De behoefte aan positieve waardering
De mens ontwikkelt zich in een wisselwerking met zijn omgeving. In deze ontwikkeling spelen andere individuen een grote rol: de mens is een sociaal wezen. Vooral in de jeugd, maar ook daarna heeft het individu een grote behoefte aan positieve waardering van mensen in zijn omgeving die voor hem belangrijk zijn. Wil hij zich naar eigen aard en aanleg kunnen ontplooien, dan moet hun waardering voor zijn ontplooiingsactiviteit positief en zonder voorwaarden zijn. Alleen als deze belangrijke anderen veel onvoorwaardelijke positieve waardering tonen, kan het individu tot zelfverwerkelijking komen.
In het leven van alledag is er echter lang niet altijd sprake van onvoorwaardelijke waardering. Die anderen, bijvoorbeeld de ouders, hebben zo hun eigen ideeën over hoe een kind zich behoort te gedragen en stellen voorwaarden aan hun waardering voor het kind. Hier begint volgens Rogers dikwijls de verstoring van een harmonische, persoonlijke ontwikkeling. Het individu zoekt als kind en later als volwassene ervaringen die passen bij zijn zelfverwerkelijking. Het gedrag dat hoort bij die ervaringen, is voor de anderen echter soms geen aanleiding er onvoorwaardelijk positief op te reageren. Zij stellen voorwaarden en beperkingen aan de persoon, willen zij hem prijzen. Er is, met andere woorden, sprake van voorwaardelijke positieve waardering.Nu komt de persoon voor een dilemma te staan. Hij kan kiezen voor gedrag dat hoort bij de eigen, authentieke zelfverwerkelijking, maar verliest dan de liefde en waardering van anderen. Een andere mogelijkheid is dat hij ervoor kiest zich aan te passen aan de voorwaarden die ander stellen. Hij wint dan de daarmee verbonden liefde en waardering, maar dit gaat ten koste van de authentieke zelfverwerkelijking. Op de vraag hoe de persoon dit dilemma zal oplossen, is geen algemeen antwoord te geven. Belangrijke factoren die hierbij een rol spelen, zijn de innerlijke kracht van de persoon om liefdesverlies aan te kunnen en de hevigheid van de ervaringen die dat verlies oproept. Onvoorwaardelijke positieve waardering is van groot belang voor de gezonde ontwikkeling van het individu.

Een concreet voorbeeld ter verduidelijking. Jantje wordt jaloers op zijn pasgeboren zusje, dat veel aandacht krijgt. Sinds haar geboorte is de hoeveelheid aandacht die hij van zijn moeder krijgt, duidelijk afgenomen. Hij probeert de aandacht van zijn moeder te krijgen door vervelend en druk gedrag. Zij verbiedt hem lawaai te maken en kijkt zeer afkeurend en liefdeloos. Jantje wordt nog jaloerser en knijpt zijn zusje. Het gevolg is nog meer liefdesverlies en een flinke straf van moeder. Jantje kiest eieren voor zijn geld en gedraagt zich voortaan als een brave jongen.

Hij neemt de regels over die zijn moeder stelt, ten koste van zijn ervaringen en vrijheid. Hoewel het overnemen van regels, normen en waarden van de ouders en andere mensen een normaal onderdeel van de ontwikkeling is, kan dit proces te ver worden doorgevoerd. Als Jantje dikwijls externe regels overneemt in zijn eigen interne belevingswereld, kan hij zichzelf alleen nog positief waarderen als hij leeft volgens de voorwaarden voor liefde die de buitenwereld stelt. Zijn zelfverwerkelijking komt daardoor in de knel. Immers, zijn authentieke beleving van jaloezie en het bijbehorende gedrag mogen er niet zijn, anders ontvangt hij geen liefde en waardering meer. De vraag is of het hier een onoplosbaar probleem betreft. Wordt kinderen – en volwassenen – dan altijd geweld aangedaan in hun ontplooiing? Volgens Rogers is dit niet het geval. De in aanleg aanwezige ontwikkeling hoeft niet te botsen met de eisen van de omgeving. Ook wordt de zelfverwerkelijking van Jantje niet wezenlijk aangetast als zijn moeder het lawaai maken en knijpen wel verbiedt, maar óók laat blijken dat ze zijn behoefte aan aandacht en zijn gevoelens van jaloezie wel begrijpt en niet zwaar straft: Ik begrijp wel dat je aandacht wilt en dat je jaloers bent; ook als jij je zusje knijpt, houd ik nog van je, maar ik vind het wel naar en je moet dat niet doen. Op die manier is er ruimte voor beider ervaringen, zowel van Jantje als van zijn moeder. Jantje hoeft zijn jaloezie ervaringen niet te loochenen, maar merkt dat hij niet moet knijpen als hij straf wil vermijden. Zijn moeder hoeft niet alles goed te vinden, maar kan wel begrip tonen. Benadrukt is hier dat onvoorwaardelijke positieve waardering door belangrijke anderen essentieel is voor de ontplooiing van de persoon. Om als zelfstandig en zichzelf regulerend individu te kunnen functioneren, heeft de persoon behoefte aan positieve zelfwaardering. Volgens Rogers ontwikkelt die zich onder invloed van de positieve waardering door anderen. Als iemand positieve waardering van anderen ondervindt voor wat hij zegt of doet, zal zich daardoor ook positieve zelfwaardering ontwikkelen. Er ontstaat zo een positief zelfbeeld waaruit de persoon de zekerheid put om met vertrouwen zijn eigen weg te gaan.

Incongruentie
(congruentie: overeenstemming, gelijkvormigheid) De diepste gevoelens die iemand heeft – datgene, wat hij werkelijk voelt – worden door Rogers aangeduid als het innerlijke ervaren of kortweg de ervaring. Ervaringen die passen in de zelfverwerkelijking van de persoon en ook overeenstemmen met de maatstaven die de buitenwereld oplegt, kan hij op authentieke en positieve wijze waarnemen en zich bewust worden; zij maken deel uit van zijn zelfbeeld. Sommige wezenlijke ervaringen kunnen echter bedreigend zijn, omdat ze de afkeuring van anderen oproepen of omdat ze in strijd zijn met het beeld dat de persoon van zichzelf of van zijn relatie tot de buitenwereld heeft. Het individu durft deze authentieke ervaringen dan niet als een deel van zichzelf te erkennen. Het effect is dat de persoon dergelijke ervaringen verdraait of ontkent en niet meer bewust beleeft. Hij gaat selectief te werk en baseert zich bij deze selectie op de van buitenaf opgelegde maatstaven, die deel zijn gaan uitmaken van zijn persoon. Onder de oppervlakte echter – buiten het bewustzijn – blijven deze ervaringen aanwezig. Rogers spreekt in dat geval over de incongruentie (ongelijkvormigheid; verdeeldheid in de persoonlijkheid) tussen de bewuste beleving van de persoon (zijn ik- of zelfbeeld) en datgene wat zich aan wezenlijke ervaringen buiten het bewustzijn afspeelt (de ervaring). Als iemand zich niet bewust is van de incongruentie, zal hij zichzelf als een aangepast individu beschouwen. Zijn gedachten, gevoelens en gedragingen vormen dan een façade waarachter zijn wezenlijke ervaringen schuil gaan. De persoon laat zijn leven bepalen door wat hij denkt dat hij zou moeten zijn en niet door wat hij zelf is: hij probeert alleen te denken, te voelen en zich te gedragen naar wat hij denkt dat anderen van hem verwachten.

Volgens Rogers worden de ervaringen die niet tot het bewustzijn toelaatbaar zijn, dikwijls vaag (onderbewust) wel waargenomen(!) en als bedreigend beleefd. Een bekend verschijnsel in de waarnemingspsychologie is dat mensen prikkels waarnemen, zonder dat deze waarneming tot een bewust herkennen leidt. Dit onbewust waarnemen noemt Rogers subceptie (vaag vermoeden). Het individu merkt wel dat er iets aan de hand is. Dit is te vergelijken met het aanvoelen van een slechte sfeer als je ergens bij mensen binnenkomt. Je weet (nog niet) wat er is, maar je voelt aan dat er iets niet klopt, wat onaangenaam is en onrustig maakt. Het verschil tussen de gesubcipieerde, onder invloed van de buitenwereld onderdrukte ervaringen en de bewuste beleving (kortom: de congruentie) veroorzaakt spanning en onrust in de persoon. Hij moet zijn en doen op een manier die niet bij zijn echte, persoonlijke ervaring past.
Incongruentie vormt volgens Rogers de kern van psychopathologie.

Congruentie (overeenstemming, gelijkvormigheid) tussen zelfbeeld en ervaringen is een voorwaarde voor psychische gezondheid en voor een ontwikkeling in de richting van zelfverwerkelijking. Een bepaalde mate van verschil tussen zelfbeeld en ervaringen is echter moeilijk te voorkomen; ieder mens heeft wel eens ervaringen die niet stroken met zijn zelfbeeld: de student die voor een tentamen zakt, terwijl hij zichzelf een goede student vindt, de vrouw die veel van haar ouders denkt te houden, maar soms ook een gevoel van verbittering jegens hen ervaart; de jongen die zichzelf heel zelfverzekerd vindt, terwijl hij in sommige situaties plotseling verlegen kan zijn. Als het verschil niet te groot is, hoeven dergelijke ervaringen geen bedreigingen voor het bestaande zelfbeeld in te houden; zij kunnen bewust worden beleefd en een deel gaan vormen van het (nieuwe zelfbeeld). Als de ervaringen wel bedreigend zijn en het verschil met het zelfbeeld te groot is, zullen zij buiten het bewustzijn worden gehouden. Rogers heeft het begrip incongruentie (innerlijke verdeeldheid) ook nog op een andere wijze in zijn theorie uitgewerkt en wel in het onderscheid tussen het zelfbeeld en het zelfideaal. Het zelfbeeld is de wijze waarop iemand zichzelf beleeft. Het zelfideaal is het beeld waaraan de persoon graag zou willen voldoen. Dit wordt in sterke mate bepaald door de normen en waarden van de buitenwereld die het tot de zijne heeft gemaakt. Als zelfbeeld en zelfideaal samenvallen, spreekt Rogers van een volledig functionerend mens. Doordat hij is opgegroeid met onvoorwaardelijk positieve waardering, voelt hij zich geheel geaccepteerd zoals hij is. Er is ook sprake van zelfaanvaarding. Hij kan zich vrij, congruent, verder ontplooien. Bij veel voorwaardelijke waardering daarentegen voelt de persoon dat hij (volgens de anderen) niet deugt zoals hij is (zelfbeeld) en dat hij anders – beter – zou moeten zijn (zelfideaal), daartoe door de anderen aangezet. Volgens Rogers kunnen we dan ook aannemen dat naarmate mensen bewust of via subceptie een grotere incongruentie beleven, er ook een grotere afstand tussen zelfbeeld en zelfideaal zal bestaan en zij meer psychische problemen zullen hebben.

Rogers opvattingen over psychopathologie
Rogers geeft geen uitgebreid overzicht van psychische stoornissen met algemene diagnostische categorieën en behandelingsvoorschriften, want dat stemt niet overeen met de grondprincipes van zijn cliëntgerichte benadering. Kenmerkend daarvoor is immers het uitgangspunt dat de persoon zijn eigen unieke ontwikkeling doormaakt en die op zijn eigen wijze percipieert. Een systeem van stoornissen dat in termen van algemene ziektebeelden is geformuleerd, past daar niet bij. Rogers richt zich bovendien op de persoon in zijn totaliteit en vooral op de bewustwording van ervaringen, niet zozeer op specifieke symptomen van psychopathologie. De Rogeriaans georiënteerde hulpverlener neemt ook niet de rol op zich van de expert therapeut die een diagnose stelt. De cliënt moet als het ware zelf een diagnose stellen, want hij kent zijn eigen belevingswereld het best. In de cliëntgerichte therapie is de therapeut erop gericht de voorwaarden te creëren waaronder de cliënt in staat is zelf de diagnose te stellen, te ervaren en te accepteren. In zijn visie op de aard en het ontstaan van psychische problematiek blijft Rogers trouw aan zijn kernbegrip zelfverwerkelijking. Hij spreekt niet in termen van ziekte over psychische stoornissen. Volgens Rogers vinden allerlei verschillende gedragingen die doorgaans als gestoord of onaangepast worden aangeduid, hun oorzaak in een verstoorde of zelfs geblokkeerde zelfverwerkelijking. Deze verstoring of blokkade is weer het gevolg van incongruentie. Incongruentie houdt in dat er iets moet worden verborgen voor de persoon zelf en zijn omgeving. En hier ligt het begin van allerlei problemen. Het voorbeeld van Jantje – het drukke, jaloerse en knijpende jongetje – kan dit verduidelijken. Het gevolg van de straf door de moeder was dat Jantje dacht: ik mag geen aandacht vragen en niet jaloers zijn en niet knijpen; dan ben ik slecht. Voortaan worden de behoefte aan aandacht en gevoelens van jaloezie buiten het bewuste ik gehouden; die ervaringen zijn te bedreigend. Jantje zal ook proberen zich braaf te gedragen. Als hij vaak en streng gestraft is, zal hij in zijn latere leven op veel meer levensgebieden jaloezie en de behoefte aan aandacht in zijn bewuste ervaring onderdrukken, verdraaien of ontkennen, zelf al is voor iedereen duidelijk dat hij wel aandacht wil en jaloers is. Als deze gestoorde vorm van beleven zich in veel situaties voordoet, kan hij niet meer open en spontaan zichzelf zijn. Hij wordt rigide en zeer terughoudend in het tonen van gevoelens, want hij moet oppassen dat anderen zijn slechte eigenschappen niet opmerken. Hij wordt ook gevoelsarm, omdat er te veel ervaringen zijn die niet bewust mogen worden. Als hij die bedreigende ervaringen wel subcipieert, is er veel vage spanning en angst. Van een vrije ontplooiing kan dan nauwelijks meer sprake zijn. Rogers beschouwt deze gestoorde belevingsvorm, waarbij het individu zich afsluit voor wezenlijke ervaringen, als een communicatiestoornis binnen de persoon, die ook tot problemen in de omgang met anderen leidt. De emotioneel slecht aangepaste mens, de neuroticus, verkeert in de eerste plaats in moeilijkheden doordat de communicatie in hemzelf verbroken is en in de tweede plaats doordat hij als gevolg daarvan de communicatie met anderen verstoord is. In de neurotische mens zijn delen van zijn zelf (die onbewust worden genoemd of verdrongen, of delen die men niet in zijn denkwereld toelaat) totaal afgesloten, zodat ze zich niet meer aan het bewuste of handelende deel van zijn zelf meedelen. Zolang deze toestand voortduurt, is ook de manier waarop hij zichzelf aan anderen meedeelt, verwrongen en zo lijdt hij dus zowel in zichzelf als in zijn tussenmenselijke relaties. Om incongruentie op te kunnen lossen, zal de persoon toegang moeten krijgen tot zijn werkelijke ervaringen, ook al beschouwt hij deze als ongewenst. Ongewenste ervaringen kan hij leren aanvaarden als een deel van zichzelf. Hij is dan in staat een rijkere schakering aan gevoelens te ervaren en kan vervolgens intensere en meer bevredigende relaties met anderen aangaan. Rogers was van mening dat in feite alle problemen waarmee mensen zich tot hulpverleners richten, zijn terug te voeren op één probleem: zij zijn het contact met hun werkelijke ervaringen kwijtgeraakt. Ik geloof dat in de grond van de zaak iedere mens vraagt: Wie ben ik werkelijk? Hoe kan ik in contact komen met dat echte zelf dat onder de oppervlakte van mijn uiterlijk ligt? Hoe kan ik mezelf worden? Ter illustratie van deze zoektocht naar het echte zelf citeert Rogers een cliënt, een jonge studente, die zich altijd heel innemend gedroeg en zich afvraagt of er onder dit masker van voorkomendheid wel een zelf schuilgaat: Ik heb op de een of andere manier een hebbelijkheid aangenomen denk ik, de gewoonte te proberen mensen om me heen op hun gemak te stellen of te proberen de dingen gladjes te laten verlopen. Er moest altijd iemand zijn die de zaak suste, zoiets als olie op de golven gooien. Op een bijeenkomst of op een feestje of iets van dien aard kon ik ertoe bijdragen dat alles prettig verliep en doen alsof ik me amuseerde. En soms betrapte ik mezelf erop dat ik datgene, wat ik werkelijk dacht, tegensprak, wanneer ik zag dat de persoon in kwestie echt ongelukkig zou zijn als ik dat niet deed. Met andere woorden, ik was alleen, ik was nooit vastberaden en had geen vastberaden mening in allerlei dingen. Nu was de reden waarom ik dat deed waarschijnlijk dat ik dat thuis ook zo vaak gedaan had. Ik kwam gewoon niet voor mijn eigen overtuiging op en ik moet zeggen dat ik niet weet of ik wel overtuigingen heb om voor op te komen. Ik ben eigenlijk niet echt eerlijk tegenover mezelf geweest, ik heb in werkelijkheid niet geweten wat mijn echte zelf is en ik heb alleen maar een soort onechte rol gespeeld. Bij hun pogingen het eigen zelf te ontdekken, komen veel cliënten er achter dat er in hun gedrag en zelfs in hun gevoelens veel is wat niet echt is. Binnen de veiligheid van de relatie met de therapeut kunnen zij hun werkelijke ervaringen onderzoeken, onder ogen zien en aanvaarden. Zo kunnen zij greep krijgen op de onbekende elementen in zichzelf. Zolang de persoon erin slaagt zeer bedreigende ervaringen buiten de bewuste beleving te houden (verdringing), kan hij een zeker evenwicht handhaven. Soms echter lukt dit niet meer, namelijk wanneer een bepaalde gebeurtenis ertoe leidt dat de bedreigende ervaring wel bewust moet worden. Stel dat iemand zichzelf ziet als een persoon die nooit jaloers is, terwijl hij – onbewust – wel gevoelens van jaloezie heeft. Als hij zijn jaloersheid uit in agressief gedrag tegenover anderen, is er geen ontkennen meer mogelijk. Plotseling wordt zijn zelfbeeld aangetast en moet hij onder ogen zien dat hij jaloers is. Het gevolg is desintegratie van de beleving van het ‘ik’: het beeld dat hij van zichzelf had, klopt niet meer. Dit leidt tot verwarring en vreemd gedrag. De persoon probeert bijvoorbeeld het oude zelfbeeld te redden en alle jaloezie toch te ontkennen. Op andere momenten handelt hij congruent en in overeenstemming met de nieuwe ontoelaatbare ervaringen en zal hij juist heel jaloers zijn. Dat dit gedrag allerlei angsten en spanningen oproept, ligt voor de hand. Volgens Rogers kan psychotisch gedrag op dezelfde wijze worden verklaard: psychische stoornissen zijn het gevolg van incongruentie tussen zelfbeeld en ‘de ervaring’.
Rogers opvattingen over het ontstaan van psychische stoornissen kunnen als volgt worden samengevat. Als iemand in vrijheid, met veel onvoorwaardelijke positieve waardering en liefde uit zijn omgeving opgroeit, zal hij zijn ervaringen weinig geweld behoeven aan te doen. Er zal weinig incongruentie ontstaan. De goede en slechte gevoelens en gedachten mogen bewust worden beleefd. De persoon aanvaardt zijn gevoelens en gedachten, ook al zijn ze soms ongewenst. Problemen ontstaan bij te veel voorwaardelijke positieve waardering. Essentiële ervaringen moeten dan worden verborgen voor de buitenwereld, maar ook voor de persoon zelf. Er ontstaat incongruentie (innerlijke verdeeldheid). Het is mogelijk dat de persoon zich daar niet van bewust is of de congruentie alleen subceptief waarneemt. In dat laatste geval zijn vage spanningen, angst en onzekerheid het gevolg. Als hij er niet meer in slaagt de bedreigende ervaringen te verbergen, leidt dat tot crisis en desintegratie.

De cliëntgerichte therapie Volgens Rogers (1957) moet een therapie aan een drietal voorwaarden voldoen. Deze voorwaarden zijn nodig en voldoende om veranderingen in de persoon tot stand te laten komen.

1. Rogers wijst in de eerste plaats op dat de therapeut in zijn relatie met de cliënt congruent moet kunnen functioneren. Als de therapeut zelf last heeft van te veel incongruentie, dan kan hij niet vrij en open met de cliënt omgaan en kan er geen goede relatie met de cliënt tot stand komen. Deze congruentie wordt ook wel echtheid genoemd. De kerngedachte in de cliëntgerichte therapie van Rogers is dat de therapeut – als belangrijke ander voor de cliënt – veel onvoorwaardelijke positieve waardering moet tonen, ter compensatie van het teveel aan voorwaardelijke positieve waardering dat de cliënt in zijn leven heeft ervaren.

2. Een tweede voorwaarde is dan ook dat de therapeut de cliënt met een maximum aan onvoorwaardelijke positieve waardering tegemoet treedt. Hij dient de cliënt zo veel mogelijk te accepteren en te respecteren als een mens met al zijn plus en minpunten. Dat betekent niet dat de therapeut alles mooi en prachtig moet vinden wat de cliënt zegt of doet. Het gaat erom dat de cliënt zich op een fundamenteel, persoonlijk niveau geaccepteerd voelt.

3. Het derde begrip dat centraal staat in de therapie van Rogers, is empathie, inleving. De therapeut dient zich maximaal in te leven in de denk- en gevoelswereld van de cliënt. Hij moet de cliënt ook laten merken dat hij diens gedachten en gevoelens meebeleeft alsof ze van hemzelf waren.

De drie voorwaarden die Rogers noemt, staan met elkaar in verband. Als de therapeut congruent functioneert, is hij niet gepreoccupeerd met zichzelf en kan hij zich beter openstellen voor de cliënt; congruentie bevordert het inlevingsvermogen van de therapeut. De combinatie van empathie en onvoorwaardelijke waardering is een bevrijdende ervaring voor de cliënt. Uit de empathische reacties van de therapeut leidt de cliënt af dat deze hem begrijpt, waardoor de acceptatie meer betekenis krijgt voor de cliënt: De therapeut heeft me door en heeft toch nog waardering en begrip voor mij als persoon. Bij hem kan ik zijn zoals ik werkelijk ben. De cliënt mag slechte dingen denken en voelen, ook al mag hij ze niet uitleven. Dit is en van de belangrijke bijdragen van de therapie: het is voor mensen heel wezenlijk en bevrijdend slechte gedachten en gevoelens te mogen verwoorden, ook zonder ze in daden om te zetten. Wanneer in de therapeutische relatie is voldaan aan de drie voorwaarden, voelt de cliënt zich veilig en kan hij langzamerhand steeds meer ervaringen die hij voorheen niet mocht hebben, tot zijn bewustzijn toelaten. “Ik mag wel jaloers zijn. Ik ben niet slecht als ik gevoelens van jaloezie heb.” Het resultaat hiervan is dat de cliënt meer positieve zelfwaardering zal ervaren en zichzelf ook meer zal accepteren als iemand met goede en slechte kanten. De voorheen bedreigende ervaringen kunnen in het zelfbeeld worden opgenomen, waardoor er een realistischer zelfbeeld kan ontstaan. Volgens Rogers kan de therapie worden afgerond als de cliënt door de toegenomen zelfacceptatie weer voldoende vrij en congruent met zijn wezenlijke ervaringen kan omgaan. Daardoor kan het proces van zelfverwerkelijking weer op gang komen en wordt de omgang met de anderen vrijer.

Onderzoek ter toetsing van de theorie
Vanuit humanistische theorieën wordt bezwaar aangetekend tegen het op natuurwetenschappelijke wijze bestuderen van de wetmatigheden in menselijk gedrag. Rogers, mogelijk beïnvloed door zijn opleiding tot landbouwkundige, dacht daar anders over. Hij heeft de aandacht voor het unieke en subjectieve beleven van de persoon weten te combineren met helder onderzoek dat objectieve uitkomsten opleverde. Hij deed dat onder meer door het proces dat zich in de therapiekamer tussen therapeut en cliënt afspeelt, van zijn geheimzinnigheid te ontdoen. Rogers had de gewoonte om, met medeweten en instemming van zijn cliënten, geluidsopnamen te maken van de therapiegesprekken. Doordat Rogers gewoon deed over therapie en het nut van de opnamen aangaf, hadden de cliënten er geen bezwaar tegen en vergaten zij algauw dat de bandrecorder aanstond. Dat was 50 jaar geleden een revolutionaire ontwikkeling. Therapeuten hadden en hebben er moeite mee om zo open te zijn over hun werk. Voordien schreven beroemde therapeuten als Freud, Jung en Adler over hun therapieën. Die beschrijvingen waren echter altijd een subjectieve selectie en interpretatie van wat er in een therapiebijeenkomst gebeurde. De bandopnamen van Rogers openden de deur naar de buitenwereld en maakten het mogelijk om te laten horen en later ook via film en video-opnamen te laten zien hoe Rogers zijn theorie in praktijk bracht. Bovendien waren de geluidsopnamen prachtig materiaal voor onderzoek. Rogers stimuleerde ook het onderzoek naar de houdbaarheid van zijn theorie. We moeten daarbij in herinnering brengen dat Rogers theorie voortkwam uit zijn praktische werk als therapeut. De toetsing van zijn theorie vond dan ook plaats aan de hand van gebeurtenissen in de therapie. Het onderzoek van Rogers en zijn medewerkers was erop gericht de werkzame bestanddelen van de therapie te ontdekken en de verwachtingen over effecten van de therapie te toetsen. De uitkomsten van de onderzoeken droegen op hun beurt weer bij tot verandering in de theorie.

Twee voorbeelden van onderzoek naar de theorie van Rogers zijn de studies waarin een inhoudsanalyse wordt gemaakt van de uitingen van de cliënt en het onderzoek met de Q-techniek. Deze onderzoeksmethoden doen enerzijds recht aan de unieke subjectieve processen in de persoon, maar leveren anderzijds ook objectief controleerbare gegevens op over de wijze waarop de persoon over zichzelf spreekt of oordeelt.

Onderzoek via inhoudsanalyse
Eerder is beschreven hoe toenemende incongruentie onder andere leidt tot gebrek aan openheid en spontaniteit bij de persoon en tot vermindering van persoonlijke gevoelsuitingen. Rogers en zijn medewerkers maakten een systeem waarin de uitingen van de cliënt konden worden gerangschikt, bijvoorbeeld van weinig persoonlijk tot zeer persoonlijk of van weinig gevoelstoon tot veel gevoelstoon. Vervolgens werden aan de hand van dit systeem de uitingen beoordeeld die de cliënt in de opeenvolgende therapiebijeenkomsten had gedaan. De beoordelaars wisten niet uit welke bijeenkomst de uitingen afkomstig waren. Op basis van de theorie van Rogers verwachtte men bij een succesvolle therapie een toename van persoonlijke gevoelsuitingen. De uitkomsten gingen inderdaad in de verwachte richting.

Onderzoek met de Q-technique
De Q-technique van de Engelse psycholoog Stephenson is een methode om de opvattingen van een individu over zichzelf systematisch te onderzoeken. De persoon in kwestie krijgt een stapel kaartjes. Op elk kaartje staat een uitspraak, bijvoorbeeld “Ik ben slordig”, “Ik ben populair”, “Ik ben impulsief”, “Ik ben een harde werker”, of “Ik ben egoïstisch”. De teksten op deze kaartjes kunnen worden gevarieerd naargelang de thema’s die in behandeling van de persoon van belang zijn. De onderzochte krijgt de opdracht om de kaartjes volgens een bepaalde methode te verdelen over een aantal bakjes. Deze vormen categorieën die uiteenlopen van ‘deze uitspraak is zeer op mij van toepassing’ tot ‘helemaal niet op mij van toepassing’. Hij moet bijvoorbeeld in elke categorie een bepaalde hoeveelheid kaartjes onderbrengen. De kaartverdeling die de persoon zo maakt, hoeft niet uitsluitend betrekking te hebben op hoe hij zichzelf ziet, de onderzoeker kan hem ook vragen de verdeling van de kaartjes toe te passen op hoe hij zou willen zijn. Op die manier kan men het verschil onderzoeken tussen het zelfbeeld en het zelfideaal van een persoon. Als de theorie van Rogers klopt en zijn therapie effectief is, dan zouden de verschillen tussen zelfbeeld en zelfideaal zoals die uit de verdeling van de kaartjes naar voren komt, aan het einde van de therapie kleiner moeten zijn dan aan het begin. De uitkomsten van dit onderzoek stemden in grote lijnen overeen met de verwachtingen.

Kritiek op de theorie van Rogers
Een theorie die een zo radicaal andere benadering van de persoon voorstaat als die van Rogers, kan op kritiek rekenen. Die is dan ook van verschillende zijden gekomen. We noemen enkelen hoofdpunten uit deze kritiek. Uit psychoanalytische hoek is het naïef genoemd de aandacht zozeer te richten op de bewuste processen in de persoon en op wat deze daar zelf over meedeelt. Deze critici wijzen op de overvloed aan informatie waaruit blijkt dat factoren waarvan de persoon zich niet bewust is, toch van invloed zijn op zijn denken en doen. Door de werking van deze onbewuste invloeden is de persoon volgens hen geen betrouwbare bron van informatie over hetgeen er in hem omgaat. Rogers onderkent dit probleem wel. Hij heeft immers met het begrip subceptie aangegeven dat hij ook een rol toekent aan niet bewuste factoren. Voor Rogers zijn echter de bewust ervaren gedachten en gevoelens van zoveel waarde dat hij de mededelingen van de cliënt daarover toch zeer serieus neemt. Bovendien, hoe zou men anders een indruk moeten krijgen van de subjectieve belevingswereld van een cliënt? Als we willen weten wat iemand denkt en voelt, kunnen we het hem toch maar het beste zelf vragen! Men heeft Rogers ook verweten dat hij weinig aandacht had voor psychopathologie en voor de specifieke inhoud van de probleem van zijn cliënten. In de therapie van Rogers gaat het niet zozeer om het probleem waarmee de cliënt op dat moment worstelt, maar helpt de therapeut de cliënt zich zodanig te ontwikkelen dat hij dat probleem en toekomstige problemen, meer geïntegreerd weet te verwerken.Rogers hechte ook geen waarde aan het stellen van een diagnose met gangbare classificatiesystemen. Critici van zijn benadering vinden daarentegen dat diagnostiek van de problemen van een cliënt noodzakelijk is om de problematiek goed te kunnen begrijpen en behandelen. Voor Rogers maakte het – ook voor de therapie – in principe weinig uit of iemand depressief is, dwangmatig gedrag vertoont of voldoet aan de diagnostische criteria van schizofrenie. Omdat ieder mens uniek is en zijn eigen – voortdurend veranderende – ervaringswereld heeft, zou het ook weinig zinvol zijn om mensen in een algemene categorie van een classificatiesysteem onder te brengen, aldus Rogers. In de theorie van Rogers is vooral het heden van belang en de wijze waarop mensen in het hier en nu vormgeven aan hun ervaringen. Rogers was weinig geïnteresseerd in de oorsprong van de problemen die zijn cliënten naar voren brachten. Onder andere psychoanalytici hebben weinig op met een dergelijk standpunt; zij zijn immers met name geïnteresseerd in de vroege jeugd en achten het belangrijk te achterhalen welke conflicten in de kinderjaren de grondslag vormen van de huidige psychische problemen van een persoon. Ook leertheoretici hebben de opvattingen van Rogers bekritiseerd. Vanuit hun behavioristische achtergrond menen zij dat Rogers het belang van externe correctie en stimulering van het leerproces heeft verwaarloosd. Naar hun mening is het niet voldoende als een persoon inzicht verwerft in zijn eigen functioneren en kunnen veel mensen dat inzicht ook niet zelf gebruiken om hun gedrag te veranderen. Men moet mensen soms leren anders te denken die zich in een aantal opzichten niet geleerd hebben, hoe zich te gedragen of hoe iets te doen. Een plant ontwikkeld zich vanzelf, maar een mens kan niet zonder de voorbeelden en de informatie van anderen. De kritiek van de leertheoretici stimuleerde de ontwikkeling van methoden om mensen te leren beter met zichzelf en anderen om te gaan. Dit leidde onder andere tot theorieën en methoden voor het aanleren van sociale vaardigheden. Een met de leertheoretische kritiek verwant bezwaar tegen Rogers theorie en therapie is dat zij vooral kunnen worden toegepast bij mensen met een meer dan gemiddelde ontwikkeling en intelligentie, en een goed vermogen om gedachten en gevoelens onder woorden te brengen. Mensen die daarover niet beschikken, moeten anders worden benaderd. Zij hebben meer baat bij concrete adviezen en voorbeelden dan bij een behandeling die hen zelf laat ontdekken hoe te leven. Bovendien komen mensen pas toe aan de zelfverwerkelijking zoals Rogers die beschrijft, als zij voldoende welvaart, vrijheid en veiligheid hebben om zich daarmee bezig te kunnen houden. De televisie toont dagelijks beelden die duidelijk maken dat velen zich die luxe niet kunnen permitteren en alleen maar bezig kunnen zijn met het redden van het vege lijf. We zouden Rogers echter onrecht doen door te eindigen met deze kritiek. Zijn nadruk op de mogelijkheden in de mens en de voorwaarden waaronder deze in onze cultuur tot ontplooiing kunnen komen, is van grote betekenis gebleken voor onderwijs, opvoeding en hulpverlening.

Andere humanistische theorieën
Behalve Rogers zijn er nog vele anderen die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van het humanistische gedachtengoed in de (klinische) psychologie van Maslow en Laing. De opvattingen van andere auteurs zijn vaak uitwerkingen van de theorie van Rogers, soms in min of meer extreme therapievormen. De theorie van Maslow Maslow onderscheidde een aantal basisbehoeften, die het menselijke gedrag motiveren en sturen. Deze behoeften zelf zijn aangeboren, maar de gedragingen waarmee mensen de behoeften proberen te bevredigen, zijn aangeleerd. Maslow rangschikte de behoeften in een hiërarchie, met onderaan de fysiologische behoeften en bovenaan het streven naar zelfverwerkelijking of zelfactualisatie. Mensen streven doorgaans pas naar de bevrediging van hogere behoeften als de lagere behoeften voor een belangrijk deel zijn vervuld. Wie bijvoorbeeld een lege maag heeft, zal zich niet erg bekommeren om wat anderen van hem vinden. Hoe lager de plaats die een behoefte inneemt in de hiërarchie, hoe groter de behoefte is.
Er zijn echter ook mensen die zich niet gedragen volgens de behoeftehiërarchie van Maslow. Een milieu-activist die in een rubber bootje op woeste zee probeert te verhinderen dat een nieuw olieplatform in gebruik wordt genomen, lijkt zijn idealen belangrijker te vinden dan zijn eigen veiligheid. De prioriteit die de verschillende behoeften voor een persoon hebben, kan bovendien veranderen. Zo kunnen voor iemand die in zijn werk de waardering van anderen heel belangrijk vindt, plotseling lagere behoeften weer actueel worden als hij ontslagen wordt. Hoewel Maslow als humanistisch psycholoog vooral aandacht had voor de mogelijkheden die de mens in zich heeft (groei), heeft hij ook aangegeven wat er gebeurt als mensen er niet in slagen de verschillende behoeften te vervullen. Bij de fysiologische behoeften aan voedsel, water en zuurstof is dat duidelijk: zonder vervulling van deze primaire levensbehoeften is leven onmogelijk. In onze westerse maatschappij, waarin het voor vrijwel iedereen vanzelf spreekt dat hij voldoende te eten en te drinken heeft, zullen fysiologische behoeften slechts in beperkte mate het gedrag motiveren. Zelfactualisatie Esthetische behoeften Symmetrie – orde – schoonheid Cognitieve behoeften Weten – begrijpen – afwisseling Behoefte aan achting Competentie – waardering – erkenning Behoefte aan saamhorigheid en liefde Verbondenheid – acceptatie – geborgenheid Veiligheidsbehoeften Troost – zekerheid – geruststelling Fysiologische behoeften Voedsel – water – zuurstof Veiligheidsbehoeften (zoals de behoefte aan structuur en zekerheid) zijn volgens Maslow het sterkst bij jonge kinderen, maar er zijn ook neurotische volwassenen bij wie deze behoeften blijven domineren. Deze neurotici vermijden op een dwangmatige manier nieuwe en onverwachte ervaringen en richten hun leven zo voorspelbaar mogelijk in. Hun bezigheden zijn strak gepland en als voorspelbare patronen worden verstoord, voelen zij zich angstig en onzeker. De wereld om hen heen zien zij als vijandig en bedreigend.
Ook het gedrag van patiënten met een dwangstoornis – die bijvoorbeeld tien keer controleren of zij het koffiezetapparaat wel hebben uitgezet of de kopjes allemaal met het oortjes naar links in de kast zetten – kan worden verklaard uit een bovenmatige behoefte aan structuur en zekerheid. Het onvermogen de behoefte aan samenhorigheid en liefde te bevredigen is volgens Maslow een belangrijke oorzaak van emotionele problemen.

Mensen hebben de behoefte liefde (in de ruimste zin van het woord) te geven en te ontvangen en proberen deze behoefte te vervullen in vriendschappen, intieme relaties en door het lidmaatschap van clubs en verenigingen. Als zij er niet in slagen deze behoefte in voldoende mate te bevredigen, kan de emotionele ontwikkeling verstoord raken. De mens heeft ook behoefte aan een gevoel van competentie en aan de erkenning van die competentie door anderen. Als deze behoefte aan achting wordt vervuld, ontwikkelt het individu zelfvertrouwen, maar als vervulling achterwege blijft, ontstaan gevoelens van minderwaardigheid en hulpeloosheid. De persoon is dan niet in staat om adequaat om te gaan met problemen die zich op de verschillende levensgebieden voordoen.
Ook als de cognitieve behoeften (zoals de behoefte te weten hoe dingen functioneren en te begrijpen waarom dat zo is) en esthetische behoeften (bijvoorbeeld om te genieten van een kunstwerk) onvoldoende worden vervuld, kan dat negatieve effecten hebben op het functioneren en de ontwikkeling van de persoon belemmeren. De top van de hiërarchie, zelfactualisatie, wordt door de meeste mensen niet bereikt. Een van de oorzaken daarvan is dat het streven zichzelf volledig te ontplooien de minst sterke behoefte is. Dit leidt er weer toe dat deze behoefte aan zelfverwerkelijking gemakkelijk wordt afgeremd, met name door ongunstige omgevingsfactoren.
Maslow schatte dat minder dan een procent van de mensen van middelbare leeftijd en ouder te beschouwen is al zelfactualiseerder: zij die hun talenten en capaciteiten grotendeels ontwikkeld hebben. Als mensen er niet in slagen hun persoonlijke vermogens volledig te gebruiken, terwijl hun overige behoeften wel in voldoende mate zijn vervuld, zouden rusteloosheid en frustratie het gevolg zijn.

De opvattingen van Laing
In tegenstelling tot Maslow hield de Schotse psychiater Ronald D. Laing zich voornamelijk bezig met ernstig gestoorde mensen. Hij bestudeerde patiënten met schizofrenie. Karakteristiek voor deze stoornis is het verwarde denken dat zich uit in onbegrijpelijk, onnavoelbaar verbaal en nonverbaal gedrag. In zijn humanistische, existentiële benadering van schizofrenie probeerde Laing de eigen, unieke betekenis die de patiënten aan zijn bestaan in deze wereld geeft, te doorgronden.
Net als Rogers was hij erop uit de belevingswereld in zijn zinvolheid voor de patiënt te begrijpen. In de beschrijving van zijn theorie en therapie benadrukt Laing dat het voor de behandeling van patiënten heel belangrijk is dat een therapeut zich zo onbevooroordeeld mogelijk inleeft in de unieke ervaringen van de persoon. Ervaringen die de patiënt vertelt en die oppervlakkig gezien gek lijken, krijgen dan vaak meer betekenis. Laing veronderstelde dat de patiënt met schizofrenie lijdt aan een diepe onzekerheid over het eigen bestaan. Die onzekerheid zou ontstaan door het ontbreken van consistente ervaringen in de omgang met mensen in de jeugd. Als straf en waardering, erkenning en verwaarlozing inconsequent in verschillende situaties voorkomen in het leven van de patiënt, kan een normaal realiteitsbesef zich niet ontwikkelen. In plaats daarvan creëert de patiënt een eigen realiteit, die voor anderen niet meer te volgen is. De hulpverlener moet het volgens Laing niet laten bij de diagnose schizofrenie, maar de wartaal van de schizofrene patiënt leren te verstaan en proberen de achterliggende belevingswereld en het ontstaan daarvan te begrijpen. Men heeft Laing wel verweten dat hij de schuld voor het ontstaan van schizofrenie bij de ouders en de opvoeding wilde leggen. Zo moraliserend wilde hij echter niet zijn: het ging hem niet om de schuldvraag. In zijn latere werk breidde hij de oorzaak van de schizofrenie daarom uit van de omstandigheden in het gezin tot de omstandigheden in de samenleving: de maatschappij stelt onmogelijke en onverenigbare eisen en mensen die daar gevoelig voor zijn, worden er – letterlijk – gek van. Gestoord gedrag zou een gezonde reactie zijn op een zieke maatschappij. In een speciale kliniek in Londen probeerde Laing de juistheid van zijn inzichten en de heilzame effecten van de daarmee verbonden therapie aan te tonen. De patiënten mochten daar hun unieke reis door hun eigen beleningswereld afmaken, ongestoord door eisen van buiten, om op die manier uiteindelijk hun schizofrenie te overwinnen. In de praktijk bleken de vrijheid en het ontbreken van structuur in de therapie toch niet het gewenste resultaat op te leveren.

Humanistische theorieën (Carl Rogers):

1. Veronderstellen dat de mens van nature goed is. Hij wordt niet in aanleg geleid door negatieve drijfveren die beteugeld moeten worden, maar zal zich onder normale omstandigheden vanzelf ontwikkelen tot een sociaal voelend en handelend individu.

2. Is veel aandacht voor het individuele en unieke van de persoon en voor wat er in die persoon omgaat aan gevoelens en gedachten. Om recht te doen aan het unieke van een mens, maken humanistische theorieën zo min mogelijk gebruik van algemene diagnostische termen en dergelijke, en richten zij zich sterk op de individuele belevingswereld van de persoon. Ter vermijding van een afstandelijke en objectiverende benadering ligt in de hulpverlening de nadruk op de persoonlijke ontmoeting, de relatie met de cliënt. De persoon wordt zo van object meer subject van onderzoek. In het contact met de hulpverlener wordt hij behandeld als een medemens die zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen leven.

3. Zijn erop gericht de mens als geheel te bestuderen en niet in apart te onderscheiden aspecten, zoals het leren of het waarnemen. De mens is een uiterst gecompliceerd georganiseerde eenheid. Om van het functioneren van die eenheid iets te kunnen begrijpen, moet men proberen de mens ook als geheel te bestuderen.

4. De mens wordt opgevat als een zich ontwikkelend wezen. In veel theorieën die de persoon trachten te beschrijven, ligt de nadruk op de stabiele kenmerken van het individu: Piet is extravert, Monique is intelligent, enz. Voor de humanistische psycholoog gaat het echter primair om de ontwikkelingen en eventuele blokkades daarin, en niet om de stabiliteit van bepaalde persoonskenmerken. Zo maken humanisten onderscheid tussen essentie en existentie, waarbij essentie betrekking heeft op het stabiele (de eigenschappen en gewoonten) en existentie slaat op het bestaan als een continu proces van ontwikkeling en verandering (de mans als groeiend wezen). Dit onderscheid wordt ook uitgedrukt in de termen ‘zijn’ (being) en ‘worden’ (becoming). Beiden duiden op groei en beweging en worden in de humanistische traditie gezien als een kenmerk van geestelijke gezondheid, van openstaan voor nieuwe mogelijkheden en verandering. Geestelijke gezondheid is daarmee het tegengestelde van verstarrende stabiliteit, het handhaven van een eens gevonden evenwicht of van ingenomen standpunten en gekozen waarden.

5. Legt de nadruk sterk op bewuste beleving. Volgens de humanistische psychologie is bewuste beleving een van de meest karakteristieke kenmerken van het menselijke individu. Het kan worden omschreven als weet hebben van wat er aan denken en voelen in jezelf omgaat, met de mogelijkheid dat te verwoorden en zo aan anderen mee te delen. Humanistische psychologen veronderstellen dat mensen in staat zijn over hun eigen functioneren na te denken en er zich een oordeel over te vormen. Deze zelfreflectie is een belangrijke informatiebron. Doordat zij de bewuste beleving een belangrijk onderwerp van studie vinden, onderscheiden de humanistische theorieën zich sterk van de twee anderen genoemde hoofdstromen in de (klinische) psychologie. Vooral voor het behaviorisme en de daaruit voortgekomen klassieke gedragstherapie waren de bewust verlopende processen onbruikbaar als informatiebron (zie behaviorisme).Ook in de psychoanalytische theorieën werden mededelingen over de bewuste beleving gewantrouwd. Onbewuste drijfveren zouden een zo grote invloed op het menselijke denken hebben, dat men uiterst voorzichtig moet zijn met de informatie die de persoon zelf verstrekt over zijn bewuste beleving: de waarde is beperkt (zie psychoanalyse).

6. Beschouwen het individu als een zichzelf regulerend organisme. Daarmee wordt bedoeld dat de mens zelf in belangrijke mate kiest en beslist welke activiteiten hij onderneemt. Deze activiteiten komen voort uit een eigen zingeving aan het leven. In dit aspect van de humanistische benadering zijn sterke existentialistische invloeden te herkennen. Volgens het existentialisme, een filosofische stroming, is het leven op zich niet zinvol en heeft het geen algemeen doel. Het leven krijgt pas zin als de persoon iets kiest, iets wil bereiken. Door keuzes te maken en doelen te stellen, krijgen handelingen zin. Menselijk gedrag kan volgens de humanistische benadering niet eenvoudigweg worden verklaard als een reeks noodzakelijke reacties op prikkels van buitenaf, zoals de zienswijze is van het behaviorisme. Evenmin is de mens op te vatten als een wezen dat in belangrijke mate is overgeleverd aan onbewuste drijfveren die zijn handelen bepalen, zoals de psychoanalytische theorieën veronderstellen. Het humanisme accentueert de menselijke onafhankelijkheid en de mogelijkheid zelf inhoud te geven aan het leven. Daarbij past een mensbeeld waarin zelfregulering en het kiezen van een eigen weg vooropstaan en niet het gehoorzaam reageren op de buitenwereld of op een onbeheersbare binnenwereld.

http://www.geestkunde.net/uittreksels/cr-klin-psych.html#Rogers leven

" alt="468 ad" class="foursixeight" />

1 Comment

  1. Peter Lakeman

    Dit onderwerp spreekt mij aan. Ieder mens is zoals hij is en wij moeten als docent proberen per individu het maximale eruit te halen. De kinderen motiveren in datgene waar ze goed in zijn.
    Als iemand goed is in taal, dan moeten we dat motiveren en aanwakkeren. Ook is het van belang dat het kind zich prettig voelt en in het onderwijs niet gestoord wordt door externe factoren zoals vervelende thuissituaties. Helaas zien we op het nieuws tegenwoordig dat dat maar al te moeilijk realiseerbaar is.